c
|
Op deze pagina is een reeks overpeinzingen te lezen met
muziekfilosofie als
terugkerend element. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
MENINGEN EN FEITEN
IHet nieuwste album van de Rolling Stones, ‘Foreign Tongues’
(2026) is, ondanks de leeftijd van de resterende heren (83, 82
en 79 jaar), een écht Stones album.” Deze zin zou zo uit een
recensie of review over dat album kunnen komen. De vraag is of
we hier te maken hebben met een feit of een mening. Ondanks
een grote hoeveelheid feiten, namelijk de naam, het jaar, de
leeftijd én dat het inderdaad een album is van de Rolling
Stones, lijkt deze zin er toch een te zijn in de categorie
‘mening’. Dat komt door het laatste stukje in de zin: een écht
Stones album. Want, wat maakt dat het een echt Stones album
is? Die opmerking gaat niet over de musici, maar over de
muziek van dat album. De muziek klinkt voor het grootste deel
als de vorige Stones-albums: we horen rock ‘roll,
blues-achtige thema’s, de bekende zang van Mick Jagger, het
gitaarspel van Keith Richards en Ronnie Wood en riffs
(ritmisch en melodische (basis-)patronen) die de fans kunnen
kennen van alle albums hiervoor. We kennen het, we horen het
en dat maakt dat het inderdaad klinkt als een écht Stones
album. Dat samen zorgt voor de mening. Maar, dat is dus mijn
mening. Of die van iemand anders.
De Romeinse keizer, filosoof Marcus Aurelius (121-180 n.j.)
schreef: "Alles wat we horen is een mening, geen feit. Alles
wat we zien is een perspectief, niet de waarheid." Zijn idee
achter die opmerking is dat wij allemaal iets anders horen en
dat invullen. Want wat horen we nu echt? Dat blijkt een
lastige. We zouden de muziek van ‘Foreign Tongues’ kunnen
laten analyseren en uitwerken in een notenschrift of een
partituur. Dan weten we in welke toonsoort er gespeeld wordt,
in welke maatsoort en welke noten we waar precies horen. In
theorie kan iedereen dat vervolgens naspelen. Tribute bands
doen dat dan ook volop. Klinkt het dan als de echte Stones?
Nee! Er komt dus blijkbaar meer bij kijken dan dat alleen. Is
het de stem van Mick Jagger? Zijn stem is kenmerkend voor een
deel van het geluid van deze band. Zonder hem zouden de Stones
zeker anders klinken. Is het de interactie tussen de diverse
bandleden of de componisten? Niemand speelt gitaar zoals Keith
Richards of Ron Wood. Niemand kan dat ook, want, ondanks alle
technische vaardigheden neem je jezelf mee als muzikant bij
het naspelen van deze muziek. Dat is wat Aurelius bedoelde met
het perspectief. Alleen de Stones zelf kunnen de Stones zijn.
En als wij daar iets van vinden is dat een mening.
En dat zegt meteen ook iets over recensies of reviews. Die
lezen vaak neutraal, maar ze zijn stuk voor stuk meningen,
geen feiten. Je zou ze kunnen lezen als een bevestiging van je
eigen mening als een ‘feest’ der herkenning of het er totaal
niet mee eens zijn.
Jan van der Plas concludeerde in Muziekkrant Oor over ‘Foreign
Tongues’: “Daarmee (het slotnummer -pl) benadrukken de Stones
dat Foreign Tongues het tweelingbroertje van Hackney Diamonds
is. De hoes is zo mogelijk nog lelijker dan de vorige, maar de
muziek is weer even lekker.” Erwin Zijleman van zijn blogspot
‘De krenten uit de pop’ schrijft: “Op Foreign Tongues klinkt
het allemaal fantastisch. De zang van Mick Jagger is
verrassend goed en ook het gitaarwerk van Keith Richards en
Ron Wood laat nergens horen dat de vingers inmiddels wat stram
zijn. Er is vast flink aan gesleuteld in de studio, maar dat
is op albums van veel jongere muzikanten niet anders.”
Leuk om te lezen? Als je fan bent zeker. Als je geen fan bent
wekt het misschien belangstelling op. Is dat de bedoeling? Het
kan ook anders werken. In mijn jeugd had ik een abonnement op
Muziekkrant Oor. Er was toen ook weinig anders. Als er een
album helemaal afgekraakt werd ging ik juist dat luisteren,
want vaak was dat dan een album met muziek waar ik iets mee
had. Negatieve aandacht is natuurlijk ook aandacht.
Samengevat naar het feit dat we het altijd hebben over
meningen hebben, is luisteren naar muziek dus heel
persoonlijk. We kunnen meningen wel delen en er misschien wel
hetzelfde van vinden, maar bij nadere verdieping blijkt dan
toch vaak dat er andere visies onderliggend zijn. Dat kan ook
niet anders, want iedereen is anders. In een tijd waarin
mensen via Social media overspoeld worden door ‘feiten’ is het
goed om nog maar eens te herhalen wat Aurelius allang wist:
“Alles wat we horen is een mening, geen feit.” |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
LICHAAM EN VERSTAND
In de binnenhoes van Soft Machine’s ‘Volume Two’ (1969) is te
lezen: “There is music for the body and there is music for the
mind. Music for the body picks you off the floor and hurls you
into physical activity of whatever type you may prefer at the
moment. Music for the mind floats you gently downstream,
through pleasurable twists and turns, ups and downs, rapids
and calm waters.”
De anonieme schrijver besluit dat Soft Machine music for the
mind maakt. Toen vond ik het een geslaagde tekst, Soft Machine
hoorde immers bij de ‘serieuze, progressieve muziek’. Dat was
muziek om naar te luisteren en bij te zitten, niet om op te
bewegen. Muziek voor het verstand! Nu weet ik veel meer van
Soft Machine en heb ik uit die beginperiode van de band
talloze foto’s met daarop mensen die aan het dansen of bewegen
zijn. Music for the body dus. Nog een stap verder vraag ik mij
af of je die scheiding wel moet of kan maken?
Daarmee komt de aloude, filosofische vraag boven of lichaam en
verstand (geest, hersens) gescheiden zijn. Plato (ca. 427-347
v.j.) vond: “De geest is eeuwig, het lichaam tijdelijk.” Een
zekere scheiding tussen lichaam en geest dus. Aristoteles
(384-322 v.j.) zag de geest als motor van het lichaam. Maar
wat die geest dan was en hoe dat werkte?
René Descartes (1596-1650) schreef: “De mens is niet zijn
brein.” Dat ging al meer over verstand. Hij ging echter wel
een stap verder door ook te concluderen dat er twee manieren
zijn om de wereld te begrijpen: de natuurlijke processen aan
de ene kant en de menselijke ervaring aan de andere kant. De
eerste bestaan uit biologische processen, de tweede uit
leerprocessen. Of de geest of ziel nog ergens in die processen
een rol speelde was voor Descartes nog maar de vraag. De
ervaring van muziekbeleving is immers niet hetzelfde als het
feit dat er in onze hersenen bij het luisteren naar muziek
diverse activiteiten plaatsvinden. Dat had Descartes ook al
gezien.
Waarom zou je niet kunnen bewegen op muziek met complexere
ritmes of stil kunnen zitten bij dansmuziek? Kijk je naar alle
muziek in de wereld dan zie je meteen dat dat allebei kan. Er
wordt gedanst op de meest complexe ritmes en bijna verstild
gezeten bij hypnotiserende klanken. Zegt dat dan eigenlijk
niet meer over cultuur en opvoeding dan over lichaam en
verstand?
In Stravinsky’s ‘Le sacre du printemps’ (1913), danst, volgens
het verhaal, een danseres zich dood. Ze wordt opgejaagd door
muziek. De muziek bij het lente-offer is voor die tijd wild te
noemen, maar niet makkelijk, allesbehalve dwingend en zelfs
relatief kort. De danseres danste, het publiek zat stil en
luisterde. Stravinsky maakte in die zin dus zowel music for
the mind als for the body.
86 Jaar later maakte Tijs Verwest, oftewel, Tiesto (1969- )
een remix van Delerium’s song ‘Silence’ met zang van Sarah
Mclachlan (1999). Tiesto’s versie behoort volgens Mixmag tot
de twaalf beste dansnummers ooit. Het is een opzwepend nummer,
de muziek slingert je bijna de dansvloer op. Music for the
body dus. Maar toch, ik kan er hier thuis, zittend op mijn
stoel, rustig naar luisteren. Tiesto maakt dus ook al muziek
voor zowel het lichaam als het verstand.
Stravinsky en Tiesto zijn slechts twee voorbeelden, maar is
niet alle muziek voor zowel lichaam als verstand? Waar in de
albumtekst geen rekening mee werd gehouden is waar en hoe je
naar muziek luistert. Luister je in een concertgebouw, een
poptempel, thuis, een kroeg? En wat is het vereiste gedrag
daarbij? In een concertzaal wordt je geacht stil op je stoel
te zitten en te luisteren naar de muziek. In een poptempel mag
je lekker dansen en bewegen en - tot mijn grote ergernis -
zelfs door de muziek heen kletsen. Vaak is de muziek daar een
stuk harder en voel je die in je lijf. Dat doet iets met je,
lokt beweging uit. Daar weten neuropsychologen alles van.
Misschien gebeurt dat bij sommige passages in een concertzaal
ook, maar ja, die stoel, die normen en dat fatsoen…
Los daarvan voelt niet iedereen zich vrij om zomaar te bewegen
op muziek. De een doet dat makkelijker dan degene die liever
rustig van muziek geniet.
De scheiding waar in de hoes over gesproken wordt blijkt
uiteindelijk veel complexer te zijn dan dat je het in eerste
instantie zou lezen. Cultuur, opvoeding, luisterplek, karakter
en gene spelen een essentiële rol bij het luisteren naar
muziek. Muziek maakt geen scheiding en is er gewoon, zowel
voor lichaam als verstand. En of je daarbij nu gaat bewegen of
rustig het meanderen van de flow volgt, is helemaal aan
jezelf. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
MUZIEK, WAT IS DAT EIGENLIJK?
Tsja, wat is muziek? Er zijn in woordenboeken, encyclopedieën
en op internet genoeg definities te vinden van wat muziek is.
Op het internet zijn talloze quotes van muziekfans én
muzikanten te vinden over wat muziek is. In heel wat
definities en omschrijvingen komen de woorden ‘melodie’ of
‘melodieus’ voor. Moet muziek melodieus zijn om muziek
gevonden te worden? En wat is melodieus precies? Voor ons,
Europeanen, klinkt de muziek van de Chinese pipa (luitachtig
snaarinstrument), de Japanse shamisen (3-snarig gitaarachtig
instrument) of de Nigeriaanse algaita (hobo-achtig instrument)
nou niet bepaald melodieus. Sommigen noemen het zelfs
‘kattengejammer’. Daar denken de bespelers van die
instrumenten natuurlijk heel anders over. Dat komt omdat wij
luisteren met westerse oren en ook westers opgevoed zijn.
Andere toonladders en melodielijnen klinken ons vreemd, zelfs
a-melodieus in de oren. Dat geldt voor meer muziek uit andere
landen.
Geluiden zijn volgens de meest definities geen muziek. Is dat
wel zo? De Franse componist Olivier Messiaen (1906-1992) was
gek op vogels en hun geluiden. Hij noteerde de ‘zang’ van de
vogels en liet vogelgeluiden letterlijk verklanken in zijn
muziek. Luister maar eens naar ‘Réveil des oiseaux’ (1953)
voor piano en orkest. Het zijn ‘gewoon’ vogelgeluiden, maar nu
zijn die geluiden plotseling wél muziek.
Pierre Schaeffer (1910-1995), de man die gezien wordt als de
‘bedenker’ van ‘musique concrète’, doet in feite hetzelfde.
Zijn muziek bestaat, of beter nog: is samengesteld, uit
allerlei geluiden die we om ons heen kunnen horen. Denk aan:
autogeraas, machines in fabrieken, treingeluiden, enzovoort.
Het zijn allemaal geluiden waar wij doorgaans onbewust
luisteren. Een van zijn bekendste werken komt uit: ‘5 Etudes
de bruits’. ‘Etude aux chemins de fer” (1948) bestaat uit
geluiden van een trein die over rails rijdt, fluitjes van
treinen en een conducteur en andere spoorweggeluiden. De naam
verklapt het al. Er zit soms een stevige ritmiek in de
klanken, maar harmonische muziek, bestaande uit mooie
akkoorden of notenreeksen, is het niet. Toch heet dat wat
Schaeffer componeert ‘musique’.
Tom Lawrence ( -2011) was zelf muzikant, maar werd bekend als
‘sound recordist’ of ‘akoestisch ecoloog’. Een van zijn albums
bestaat uit de geluiden van waterkevers: ‘Water Beetles of
Pollardstone Fen’ (2011). Lawrence nam met speciale apparatuur
het geluid van de kevertjes op en versterkte dat geluid. Wat
we horen krijgen is een soort ‘gezang’ met op de achtergrond
iets dat klinkt als een hartslag. Soms is het melodieus én is
er sprake van een ritme. Is dit ook muziek?
Met Lawrence komen we al bij nog een lastig gebied:
‘elektronische muziek’. De eerste elektronische muziek was
behoorlijk experimenteel en ook daar is weinig tot niets te
horen van harmonisch opvolgende klanken. Eerder hoor je
piepjes, kraken, ruis en zoemen. Elektronische muziek werd en
wordt overal gemaakt, van China tot Afrika en van de beide
Amerika’s tot Europa tot Australië. Wat er gegeneerd wordt
heet allemaal ‘muziek’. Dat impliceert ook dat het dat is.
‘Piep-piep-knor’ is geen elektronischer muziek, maar de
geuzennaam van een stroming uit de Nederlandse jazz (!). De
classificatie gold bijvoorbeeld het Willem Breuker Kollektief
en de Instant Composers Pool (ICP). Hun vrije jazzvorm ging
nog een stuk verder dan de free-jazz die we tot dan hadden
kunnen horen. Ook hier was weinig melodie te horen, en als,
dan was het vaak een satirische kanttekening.
Door de jaren heen is er veel te doen geweest over wat nu
muziek is. De oudere generatie vond rock ’n roll helemaal
niks, wat een herrie: “Dat is toch geen muziek, maar jungle
geluiden….”. Eenzelfde lot was de prille popmuziek beschoren:
‘Wat een lawaai, het zijn net krijsende apen…” In elk
muziekgenre en tijd is er ooit wel een vergelijkende opmerking
geplaatst. Toch werd of bleek het uiteindelijk allemaal
muziek.
Muziek laat haarzelf dus niet beperken door woorden,
definities of smaak. Als je namelijk met een open geest én
open oren gaat luisteren blijkt dat er in meer muziek zit dan
je waarschijnlijk dacht. Waarschijnlijk komt je daarmee tot
dezelfde conclusie van de Italiaanse componist Luciano Berio
(1925-2003): “"Music is everything that one listens to with
the intention of listening to music". Daarmee is alles over
wat muziek is wel gezegd. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
NIEUW
Binnen allerlei muziekstromingen wordt muziek vaak aangeduid
als ‘nieuw’. Zo spreekt men over nieuwe klassiek, neoklassiek,
neo-soul, neo-etc. Als het gaat over nieuwe klassiek heeft men
het over het algemeen over muziek van begin vorige eeuw, de
tijd dat Claude Debussy, Igor Stravinsky en Arnold Schönberg
de klassieke muziek flink op de kop zette. Muziek uit die tijd
heet ook wel ‘modern klassiek’ of – beter – Twintigste -eeuwse
klassiek. Maar… na 100 jaar is die muziek toch echt niet nieuw
of modern meer?
Neoklassiek en neosoul is de muziek die nu gemaakt wordt,
maar, vreemd genoeg, is die muziek allesbehalve nieuw. Onder
de noemer neoklassiek valt pianomuziek van mensen als
bijvoorbeeld Ludovico Einaudi en landgenoot Joep Beving. Hun
muziek leunt op minimalistische muziek, op ambient muziek,
maar ook op de muziek van Haydn, Mozart, Bach en Satie. Een
andere naam die gebruikt wordt voor het vak neoklassiek is
‘postmoderne sfeermuziek’.
De term ‘postmodern’ is minstens net zo ongrijpbaar als
‘nieuw’: ná het modern (!). Modern betekent van deze, huidige
tijd. Postmodern speelt dus eigenlijk na de huidige tijd. Dus
in de toekomst? Die term komt uit de kunstwereld. Kunst uit
(ook weer) begin vorige eeuw wordt ‘modern’ genoemd. De kunst
daarna ‘postmodern’. Dat klinkt op zichzelf logisch, maar om
die term nu te gebruiken is nogal verwarrend.
Voor neosoul, ik denk bijvoorbeeld aan Durand Jones & The
Indications, geldt dat het eigenlijk gewoon soul is en
gebaseerd is op de ‘oude’ soul uit de jaren ’60 en ’70.
Misschien zijn er wat recentere invloeden verwerkt, maar in
feite is het soulmuziek van nu. Dat klopt dan wel weer aardig,
toch?
Maar wanneer is muziek of iets echt nieuw? Nieuw is volgens de
definitie “wat nog niet lang bestaat”. Gloednieuw is net
nieuw, een kuiken uit het ei. Iets is ook nieuw als het niet
eerder bestond. Daarmee is eigenlijk alle muziek die
nu gemaakt wordt ‘nieuw’, want ze bestond nog niet eerder. Ik
heb net het nieuwe album van … (vul maar in) gekocht. Daarmee
is het vorige album dus oud geworden. Maar een nieuw album van
Brahms lijkt dan weer vreemd. Die man is allang overleden en
maakt niets nieuws meer. Het is een nieuwe uitvoering van oude
muziek. Is dat dan nog wel nieuw? Vernieuwend is het zeker
niet, want er is een partituur waar men zich aan moet houden.
Daarvan afwijken kan niet, want dan tast je de kern van – in
dit voorbeeld – Brahms aan.
Wat Joep Beving doet is dan wel weer nieuw. Hij componeert en
speelt de muziek nu. Geldt dat dan ook voor zijn eerste album,
Solipsism, uit 2015? Is iets dat 11 jaar oud is nog nieuw?
Grappig is dat de Reclame Code Commissie de ‘regel’ hanteert
dat iets maximaal één jaar lang nieuw genoemd mag worden,
daarna is het oud of de lol eraf. Aanpassingen, maar die
moeten dan wel heel duidelijk zijn kunnen een product
vernieuwen, maar nieuw is het daarmee dan nog niet. Beving’s
album ‘Liminal’ (2026) zou je gloednieuw kunnen noemen. Maar
over 11 jaar is dat ook niet meer zo. Toch valt dat album dan
waarschijnlijk nog steeds onder de noemer neoklassiek.
Nieuw, neo, postmodern, het zijn allemaal containerbegrippen
die, historisch gezien, verwarring zaaien. Het begrip nieuw
blijkt namelijk behoorlijk relatief te zijn. Het lijkt mij
daarom beter, als het gaat over muziekstromingen, die woorden
maar niet meer te gebruiken. Misschien moet ik daarom de kreet
van de Dadaïsten ook maar eens vernieuwen? “Alles is
nieuw, niets is nieuw!” |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
VERLOKKING
Tijdens zijn Odyssee voer Odysseus langs drie eilanden in de
Middellandse Zee. Daarop verbleven de Sirenen. Dat waren
halfgodinnen met het lichaam van een gier en het hoofd van een
vrouw. Ze zongen zo mooi dat iedere zeeman letterlijk viel
voor hun zang. Het gevolg was dat ze te pletter sloegen,
verdronken of leeggezogen werden door die Sirenen. Odysseus
wilde ondanks alles de zang horen en liet zich vastbinden aan
de mast. Zijn manschappen moesten hun oren vullen met was
zodat zij niets konden horen en door konden roeien. Zo lukte
het Odysseus de zang te horen en daarmee ongeschonden langs de
verlokking te komen. Dat betekende echter wel het eind van de
Sirenen. Panthenope stortte zich in zee en verdronk, de andere
Sirenen werden rotsblokken. Door de eeuwen heen is menig
kunstenaar alsnog betoverd geraakt door de Sirenen. Zij
verbeeldden de dames met complete vrouwenlichamen, als
zeemeerminnen of als vrouwen met een vrouwenlijf met alleen de
benen/poten van een gier. Het zal niemand verbazen dat de
Sirenen vaak in verlokkelijke poses met – deels - ontbloot
lijf afgebeeld zijn. Een ander soort verleiding…
Het gaat in bovenstaand verhaal om de schoonheid van de zang
en daarmee over esthetica. Is de zang mooi, harmonieus? Wat
zegt dat eigenlijk? De ervaring van schoonheid lijkt een
subjectieve en wordt gegeven daar degene die – in dit geval –
luistert. Bij Plato komen het Ware, het Goede en het Schone
samen. Maar wat is goed en het schoon of mooi? Immanuel Kant
heeft het eerder over een subjectieve ervaring. Hij vindt dat
wij mensen vrij zijn een schoonheidsoordeel te vellen. Als we
het dan hebben over smaak, en dat is het geval, kennen wij het
oordeel toe aan het subject: het is niet mooi, wij vínden het
mooi. De zang van de Sirenen werd in het verhaal door iedereen
mooi gevonden. Kan dat wel? Kan iedereen hetzelfde mooi
vinden?
Mijn Sirenen waren beslist geen halfgodinnen met mooie zang.
Ik raakte al heel vroeg in mijn tienerjaren gefascineerd door
de grillige, ruwe, zoemende, ruisende, plotselinge en soms
zelfs schrille geluiden van de vroege elektronische muziek uit
de jaren ’20 tot dan, eind jaren ’60. Waar die voorkeur
vandaan kwam weet ik nog steeds niet. Het heeft niets te maken
met smaak, want die had ik nog niet, ik wist namelijk nog
bijna niets van muziek. Iemand opperde ooit dat het kon komen
doordat mijn vader in de techniek zat. Maar hij maakte of
luisterde geen muziek, overigens net als mijn moeder. Het
heeft ook niets te maken met tijd, want al mijn klasgenoten
luisterden heel andere muziek: de popmuziek uit de Top 30, de
Sirenen van die tijd.
Men zegt wel eens dat muziek een ervaring is, een emotie die
een hele reeks processen in onze hersenen op gang brengt. Als
je iets hoort dat je raakt komt dopamine vrij, een
geluksstofje. En dat komt weer omdat de muziek die je dan
hoort betekenisvol voor je is. Dat gaat bijna altijd over
harmonie, prettige verhoudingen, logica. De oude elektronische
muziek is veelal complex, abstract, vrij van conventies. De
popmuziek van mijn klasgenoten was wel leuk, maar deed mij
niet veel. Van al die bliepjes en ruissss kon ik helemaal
enthousiast worden. Deze muziek was betekenisvol voor mij.
Naar Kant: ik vond het mooie (!) muziek. Maar dat is
natuurlijk een subjectief oordeel, want het is mijn oordeel.
Is het esthetische muziek? Heel veel mensen vinden het zelfs
geen muziek. Is het wel muziek? Misschien niet, misschien wel.
Maar wie bepaalt dat dan?
Gaat het erom, dat naar Homerus, de schrijver van de Odyssee,
iedereen hetzelfde van muziek of schoonheid moet vinden, of
gaat het erom dat iemand vrij is een eigen oordeel te vellen?
Je wordt tenslotte ook niet verleid door iedereen, maar die of
dat ene, toch? Wat dan wel weer klopt aan het verhaal:
symbolisch gezien werd ik vervolgens ook ‘leeggezogen’ door
alle vormen van muziek, er was en is zoveel te ontdekken om te
luisteren, er is zoveel moois... |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
HOOG EN LAAG
Klassieke muziek wordt tegenwoordig soms nog steeds gezien als
een vorm van ‘hogere’ kunst en zou daarom beter zijn dan de
‘ordinaire’ popmuziek, de lage kunst. De scheiding tussen hoge
en lage kunst ontstaat in de westerse maatschappij grofweg
rond 1800. Er is geen exacte datum, het is een proces van
vooruitgang en ontwikkeling: instrumenten worden beter en er
komen nieuwe bij. Muziek kan daardoor uitgebreider en
complexer qua klankkleur worden. De musici moeten daarom
vaardiger zijn om die muziek te kunnen spelen. En: ze willen
graag na alle inspanning gehoord worden! Muziek werd tot die
tijd niet alleen gespeeld aan het hof of bij de rijken, maar
ook op openbare plekken, zoals in herbergen. Mensen kletsten
echter overal door de muziek heen en de uitvoerenden vonden
dat irritant. Het gevolg was dat er speciale plekken ingericht
werden waar men tegen betaling (!) in stilte naar muziek kon
luisteren.
Daarmee ontstond de scheiding. De adel betaalde componisten om
muziek te kunnen schrijven én dezelfde adel, aangevuld met de
rijken, kon de entree betalen om de muziek te kunnen horen. De
muziek in herbergen bleef, maar dat werd nu vaak de
‘makkelijkere’ muziek, uitgevoerd door minder goed opgeleide
musici. De elite (hoog) ging luisteren naar symfonieën en
‘esthetisch’ verantwoorde muziek, het volk, de massa (laag)
vermaakte en ontspande zich met – om het plat te zeggen
–simpele deuntjes.
Dezelfde scheiding is te vinden in kunst en literatuur. Een
eerste fase van afbrokkeling ontstaat na de Eerste
Wereldoorlog met het Dadaïsme, een anti-kunst-vorm: “Niets is
kunst, alles is kunst!” Het meest in het oog springende
voorbeeld is een urinoir dat door Marcel Duchamp als kunst
werd neergezet. In de jaren ‘50 en ‘60 van vorige eeuw
brokkelt de scheiding binnen de kunst verder af. Roy
Lichtenstein en Andy Warhol gebruikten elementen uit de
massacultuur, stripfiguren, als bron voor hun zeefdrukken. Er
ontstaat een diffuus gebied zonder de eerdere strikte
scheiding.
Vreemd genoeg blijft de scheiding in muziek overeind. Ondanks
componisten als Luigi Russolo, George Antheil, Erik Satie,
Edgard Varèse en John Cage die vragen over de toekomst van
muziek stellen. Zo worden elektronische instrumenten aan het
orkest toegevoegd, wordt er gebruik gemaakt van klankbronnen
als sirenes, propellers, typemachines taperecorders en krijgt
het slagwerk soms een prominentere rol. Zelfs stilte en wat
muziek precies is wordt ter discussie gesteld.
In de jaren ’50 heeft bijna iedereen een radio of zelfs tv.
Daarmee komt muziek massaal de huiskamers binnen. Na de Tweede
Wereldoorlog is er meer geld te besteden en kunnen mensen
pick-ups en grammofoonplaten kopen. Daardoor hoeft men niet
meer naar een concertgebouw. Alle muziek is nu voor iedereen.
Helemaal nieuw is het feit dat jongeren voor het eerst een
eigen muziekstijl aanhangen. Rock ’n roll en pop worden de
norm. Het gevolg daarvan is dat met name klassieke muziek in
een crisis beland. Omdat de populairste popband, The Beatles,
klassieke elementen en instrumenten in hum muziek gaat
gebruiken neemt de belangstelling voor klassieke muziek weer
toe. De klassieke wereld haalt opgelucht adem. Maar is er nu
veel veranderd?
Er zijn nog steeds fondsen die ervoor zorgen dat componisten
muziek kunnen componeren. Binnen de popmuziek doet men dat
overwegend zelf, zonder steun of met en lening, investering,
van de platenmaatschappij. Dat geldt moet namelijk wel
terugverdiend worden. Als ik naar een popconcert ga irriteer
ik me mateloos aan het geklets in de zaal: een groot deel van
het publiek zit blijkbaar nog steeds in de herberg. Wat er wel
veranderd is zijn de toegangsprijzen. Om naar popmuziek te
kunnen luisteren moet men vaak flink betalen. Om naar klassiek
te kunnen luisteren valt dat mee, maar dat komt veelal door
subsidies. Zowel popmusici als klassieke musici zijn
tegenwoordig goed opgeleid en beheersen hun instrumenten met
vaardige vingers. Sommige popmuziek is zeker net zo complex
als klassieke muziek en sommige klassieke muziek is minstens
net zo makkelijk als popmuziek.
Wat ik tegenwoordig veel zie is dat filmmuziek in concertzalen
uitgevoerd wordt. Muziekdelen uit films als ‘Lord Of The
Rings’, ‘Harry Potter’ en ‘Starwars’ zijn omgebouwd tot heuse
suites. In veel klassieke jaarlijstjes komt deze muziek terug.
Is daarmee nu het verschil tussen hoog en laag wat weggewerkt?
Het begint er wel op te lijken. Zo trekt dirigent André Rieu
met een mix van populair klassiek en klassiek populair
duizenden mensen naar zijn concerten, wereldwijd. Bij hem kun
je op één avond walsen, pop, Broadway, operettes en chansons
horen, allemaal uitgevoerd door uitstekende musici van het
Johann Strauss Orkest.
Moet er eigenlijk nog een verschil tussen hoge en lage kunsten
zijn? Ik denk het niet, alle muziek is er voor iedereen, toch?
En als je iets toch beter vindt is dat meer een kwestie van je
eigen voorkeur. Filosoof Ad Verbrugge zegt het zo: “Het
getuigt van wijsheid om zich niet op te sluiten in de eigen
ideale werkelijkheid, ontleend aan het verleden, maar in het
heden te zoeken naar wat de moeite waarde is, naar wat
bezielt, naar wat aanspreekt.” |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
TRANEN
Tranen zijn in muziek een geliefd onderwerp: ‘Tears In Heaven’
(Eric Clapton), ‘Tears Dry’ (Amy Winehouse), ‘My Tears
Ricochet’ (Taylor Swift), ‘Dancing With Tears In My Eyes’
(Ultravox), ‘The Tears Of A Clown’ (Smokey Robinson & The
Miracles), ‘Driven To Tears’(The Police), ‘No More Tears’
(Ozzy Osbourne), ‘As Tears Go By’ (Rolling Stones), etc. etc.
Tranen zijn een uiting van emotie en kunnen ontstaan door
muziek, maar vaak is er meer aan de hand. Van muziek kunnen
mensen emotioneel worden. Cassius Longinus schreef in de 1e
eeuw een boek: ‘Het Sublieme’. Daarin legt hij uit dat iemand
door een esthetische ervaring emotioneel kan raken. Longinus
omschreef dat als “het raken van zenuwen”. Dat gevoel kan
uitgedrukt worden in blijdschap, in verdriet, maar ook in een
overweldigd worden door wat men hoort. Het gevolg is: tranen.
Als je in de muziekgeschiedenis rondkijkt komen tranen dus
best vaak voor. Niet alleen in titels, maar ook in reacties.
Ik zie ze bij mensen die naar klassieke muziek luisteren, bij
fans van The Beatles, Nightwish, Elvis Presley, bij concerten
van André Rieu. Eigenlijk maakt het niet uit bij welke
muzieksoort, mensen kunnen geraakt worden.
Nou komen die tranen niet zomaar. Onderzoekers denken dat door
het zien van tranen bij een ander mensen empathische gevoelens
voor die ander krijgen. Daarmee zijn tranen een vorm van
verbondenheid. Dat is een oeroud gegeven. Het gaat hier wel om
emotionele tranen, niet de verzorgende die de ogen vochtig
houden. Tranen bij muziek komen soms voort uit begrip voor het
verhaal dat verteld wordt. Denk bijvoorbeeld aan een Requiem.
Dat is een katholieke dodenmis. In die mis wordt muziek
gezongen of gespeeld. Requiem betekent zoiets als ‘eeuwige
rust’. De muziek of zang klinkt niet alleen treurig, maar
roept vaak ook gevoelens op doordat men denkt aan degene die
overleden is. Het is een gevoel van melancholie, iets dat mooi
was en voorbij is. Componisten uit de Romantiek (eind 18e,
begin 19e eeuw) waren sterk in dit gevoelsleven. De Romantiek
staat immers bekend als een stroming waarin de subjectieve
ervaring het uitgangspunt was. Voorop stond emotie,
spontaniteit en verbeelding. Zo schreef bijvoorbeeld Brahms
‘Ein deutsches Requiem’ (1868), Hector Berlioz zijn ‘Grande
messe des morts‘ (1837) en Giuseppe Verdi zijn ‘Messa da
Reqièm‘ (1873).
Maar tranen komen niet alleen van verdriet, maar ook van
vreugde. Opgaan in muziek kan eventueel de treurigheid van een
moment doen vergeten. Het leven weer even zien van de zonnige
kant. Door tranen wordt het leven weer wat in balans gebracht,
men noemt dat ‘de polariteit van het leven’.
De eerder genoemde verbondenheid geldt niet alleen de
medemens, maar ook de muziek. Mensen kunnen zich sterk
verbonden voelen met muziek, omdat die hun iets gezegd heeft,
geholpen heeft in mooie of moeilijke momenten. En als zo’n
muziekstuk dan live gespeeld wordt komt die herinnering boven
en kunnen de tranen als vanzelf vloeien. In technische termen
activeert muziek een deel van de hersenen, de amygdala. Dat
deel verwerkt emoties. Maar ook onze hartslag kan omhoog gaan
als wij emotioneel reageren op muziek. Hoe dat gebeurt is van
persoon tot persoon anders. Iedereen heeft namelijk zijn of
haar eigen ervaringen met muziek, daarbij spelen tal van
elementen een rol, zoals cultuur, achtergrond, etniciteit,
leeftijd, geslacht en inkomen.
Een belangrijke rol die zeker meespeelt betreft het geheugen.
Muziek die terug hoort en je eerder gehoord hebt bij
belangrijke gebeurtenissen in je leven, zoals verliefdheid,
huwelijk, feesten en bij het overlijden van een dierbare
kunnen de emoties die daarbij horen opnieuw oproepen. En
natuurlijk zijn daar ook de omgeving en de bijbehorende sfeer.
Romantische muziek bij je geliefde in een knus restaurant
werkt heel anders dan diezelfde muziek bij een ruzie thuis met
diezelfde partner.
Er zijn dus nogal wat factoren die onbewust meespelen bij onze
emotionele uitingen met tranen als gevolg. Muziek is daarbij
slechts een hulpmiddel, muziek immers zelf zegt niets, het is
de mens die er invulling aan geeft. Vrij naar Ludwig van
Beethoven: “Muziek moet het vuur doen ontvlammen uit het
hart en tranen brengen in de ogen.” |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
VAN WIE IS MUZIEK?
Iemand wil zijn of haar verbeelding kwijt in muziek en
componeert daarom een muziekstuk. Dan is het van die persoon
toch? Dat staat immers ook op de partituur of geluidsdrager:
composed by… Maar dat is niet het hele verhaal. Want een
componist moet ook nog de rechten van zijn werk hebben. Dat
moet vastgelegd worden. Doorgaans heeft een platenmaatschappij
de rechten via contract verworven of gekocht van een artiest.
Daarmee verdient een platenmaatschappij geld. Per verkochte
geluidsdrager x-euro of wat dan ook. Elke keer dat een nummer
op radio of tv afgespeeld wordt levert dat zowel componist als
platenmaatschappij geld op. Klinkt redelijk, toch?
Hoe het mis kan gaan laat ik hierna zien in een aantal
voorbeelden.
Taylor Swift (1989- ) tekende als tiener een contract waar ze
weliswaar de rechten had van de compositie, maar niet de
rechten van de opgenomen muziek: de mastertapes. Die tapes
werden later gekocht door de manager van Justin Bieber en
Ariana Grande. Swift had eerder een conflict gehad met die
manager en was daar dus niet blij mee. Ze kon er echter weinig
aan doen. Bijkomend nadeel: Swift mocht hierdoor haar eigen
eerder opgenomen muziek niet gebruiken of uitvoeren. Swift
paste daarom een heel bijzondere truc toe. Omdat ze wél de
rechten had van haar muziek kon ze die opnieuw opnemen. Dat
deed ze dus. Zo nam ze al haar oude muziek opnieuw op en
bracht haar ‘oude’ zes oude albums opnieuw uit. Swift sloot
vervolgens een nieuw contract af bij een andere
platenmaatschappij waarin ze liet vastleggen dat ook de
masters haar eigendom zijn.
Een meer bizarre situatie vond eerder plaats. Michael Jackson
kocht in 1985 de rechten van een groot aantal Beatles-songs.
Hij vond The Beatles namelijk geweldig. John Lennon en Paul
McCartney hadden ooit de rechten op hun songs verkocht aan
Northern Songs. Dat bedrijf werd verkocht aan ATV en de songs
van The Beatles weer aan Michael Jackson. Het bizarre was dat
Jackson kon simpelweg meer kon bieden dan McCartney en Yoko
Ono samen. Een vreemde aanpak, toch? Waarom wilde hij dat per
sé doen en niet de rechten laten aan degene die er eigenlijk
recht op had? Na het overlijden van Jackson gingen de rechten
naar Sony/ATV. In 2017 troffen Sony/ATV en McCartney een
geheime schikking, waardoor McCartney de rechten over 260
songs terug kreeg.
Een ander voorbeeld. Een artiest treedt op en iemand in het
publiek neemt het concert op, zet het op lp of cd en verkoopt
die onder een zelfverzonnen label. Zo’n product heet ‘bootleg’
en is illegaal. Sommige bootlegs werden in enorme aantallen
verkocht. Dat gold bijvoorbeeld Pink Floyd. Die band speelde
tijdens hun concerten regelmatig nieuw materiaal om dat uit te
testen en te verfijnen voordat de studio-opnames plaatsvonden.
Er waren (en zijn) talloze bootlegs met werk van ‘Dark Side Of
The Moon’ in omloop voordat dat album er in 1973 echt kwam.
Hetzelfde gold de opvolgers: ‘Wish You Were Here’ en
‘Animals’. Uiteindelijk won, gezien de verkoop van de legale
versies, de kwaliteit het. Ondertussen had degene die de
muziek illegaal verspreid had wel een leuk zakcentje verdiend.
En dat alles ten koste van de musici en de echte eigenaren van
de muziek.
Ook Frank Zappa had met bootlegs te maken. Hij had er schoon
genoeg van en kwam met een opmerkelijke actie: ‘Beat The
Boots!’. Zappa bracht de bootlegs zelf uit onder eigen naam.
Het was immers zijn product, zijn concert en hij kon dus
volstrekt legaal zijn eigen geroofde muziek zelf uitbrengen.
Hij deed niets met het vaak beroerde geluid en verdiende er
nog wat aan ook.
Bovenstaande voorbeelden gaan allemaal over geld en
eigendomsrechten. Maar er is iets ‘vreemds’ met het eigendom
van muziek. De rechten kunnen wel van iemand zijn, maar zo
gauw muziek klinkt, thuis of in een (concert-)zaal, zit muziek
in het hoofd van de luisteraar. Als ik aan een bepaalde cd of
lp denk hoor ik de muziek daarvan in mijn hoofd. Door een lp
of cd te kopen wordt ik eigenlijk ook beetje eigenaar van de
muziek die ik koop. Ik zo namelijk kiezen wanneer, waarom en
hoe ik die wil horen. Die muziek die ik kies, dat is mijn
smaak en zegt iets over wie ik ben. Niet voor niets ‘geldt’ de
regel: “Zeg me naar welke muziek je luistert, dan zeg ik wie
je bent.” Als ik vroeger voor het eerst bij iemand thuis kwam
probeerde ik altijd snel een blik te werpen op iemands
lp-verzameling. Daarmee dacht ik vaak al wat te weten over die
persoon. Dat zegt wel iets. Muziek is onderdeel van wie iemand
als persoon is en daarmee ook een stukje van die persoon.
Tsja, van wie is muziek dus nu eigenlijk? |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
STAAT DE MAKER LOS VAN ZIJN KUNST?
Vanaf mijn twaalfde luister ik naar de muziek van de
Amerikaan Frank Zappa (1940-1993). Als twaalfjarige was ik
onder de indruk van zijn muziek. Van de woorden begreep ik
weinig, ik had toen nog geen Engels gehad. Ik vind de
muziek nog steeds geweldig, maar die woorden, dat is een
ander verhaal. In het begin zijn Zappa’s cynische teksten
maatschappijkritisch, vol humor en hebben een aangename
dosis Dadaïsme. Die zijn zeker de moeite waard. Vanaf de
jaren zeventig overheerst echter steeds meer het thema
seks. De Amerikaanse preutsheid vroeg erom, aldus Zappa.
Maar na één keer weet je dat dus en om dat thema nu bij
elk nieuw album weer van stal te halen? Ik vind die
teksten niet grappig, zelfs saai en seksistisch. Daarbij
was ik het vaak niet eens met Zappa’s verbale uitingen in
de pers of op tv. Zijn visie was soms boeiend, maar vaak
een benauwde en oogklepperige. Het leek er ook op dat hij
weinig tegenspraak duldde.
Zappa heeft in interviews vaker uitgelegd dat de persoon
Zappa los staat van de artiest Zappa. Zijn kunstenaar en
kunstwerk inderdaad gescheiden? Die vraag wordt vaker
gesteld, zoals recent weer bij de concerten van Ye in
Gelredome. Ye mocht in Nederland optreden, in Frankrijk en
Engeland niet. Ye had zich vroeger bewonderd uitgelaten
over Hitler en in Frankrijk en Engeland vonden degenen die
erover gaan dat niet kunnen. Ye gaf als tegenargument aan
dat hij toen zichzelf niet was en nam afstand van zijn
oude uitspraken. In Gelredome gaf Ye een braaf concert.
Dus?
Er is en was vaker twijfel, denk aan Michael Jackson,
Oscar Wilde, Leni Riefenstahl, Ike Turner, R. Kelly en
vele anderen. Hoe ga je, als fan of liefhebber van iemands
muziek, boeken, kunstwerken, om met de persoon erachter?
Zijn het gescheiden werelden? Als het gaat om muziek, moet
je dan de muziek maar niet meer luisteren als je het niet
eens bent met de teksten?
Zappa krijgt gelijk van de Duitse filosoof Immanuel Kant
(1724-1804). Kant: “Bij kunst gaat het om de vorm ervan en
staat de maker er helemaal los van.” Wat echter niet
meewerkt in Kants conclusie is dat die leefde in een tijd
dat bijna alle kunst in opdracht gemaakt werd. Later
veranderde dat steeds meer en werd kunst vooral een
persoonlijke uiting.
In het boek ‘Honouring and admiring the immoral’ (2021)
van de filosofen Alfred Archer en Benjamin Matheson is te
lezen dat de frictie tussen kunstenaar en diens uiting er
vooral een is van de tijd na de Tweede Wereldoorlog. Voor
die tijd waren er geen idolen, of werden ze met regels
onder de duim gehouden. Idolen ontstaan ‘plotseling’. Een
goed voorbeeld is Frank Sinatra (1915-1998). Voor het
eerst staat er bij zijn concerten een schreeuwende massa
fans klaar om Sinatra minstens even aan te raken of anders
wel een stuk van zijn kleding te bemachtigen. Mensen
werden verdrukt en vallen flauw. Er is een idool geboren.
Datzelfde zien we terug bij andere kunstvormen, maar ook
bij sport. Na het ontstaan van idolen is niets meer
hetzelfde. Radio en tv dragen bij aan het creëren van
idolen. Tegenwoordig doen vooral Social media dat. Idolen
zorgen dus voor een situatie dat het soms lastig wordt van
iemands muziek te houden, maar niet van zijn persoon, of
juist de persoon verantwoordelijk te houden voor zijn
muziek.
Dat verschil is, volgens Archer en Matheson, op te heffen
door te stoppen met vereren, maar wel nog te eren. Geen
idolen meer, maar wel de muziek. Ze geven ook aan dat er
geen eensluidende oplossing is. Ik vraag mij af of we nog
wel zonde verering kunnen. De hele muziekindustrie is
hierop inmiddels gebaseerd. Bovendien is het een vicieuze
cirkel: je moet populair zijn, minstens 10.000 albums
verkopen las ik net, om überhaupt nog albums te kunnen
blijven maken. Daarvoor moet je populair zijn en wordt
alles in het werk gesteld om dat zo te houden. De verering
blijft dus nog wel bestaan. Een het eren? Eer je iemand
door hem stil te zwijgen? Of eer je iemand door zijn
muziek te luisteren of naar een concert te gaan? Is dat
dan niet ook een beetje verering? De scheidslijn is
blijkbaar heel dun.
Misschien heb ik zelf al wel de scheiding aangebracht? Ik
hou van Zappa’s muziek, maar niet van al zijn teksten of
van sommige van zijn uitingen. Is dat dan eigenlijk niet
‘gewoon’ kritisch denken? Is dat eren? Of is dat toch de
scheiding waar Kant het al over had? |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
TEGENDRAADS
Het woord ‘tegendraads’ wordt vaak gebruikt als synoniem
voor dwars, recalcitrant, opstandig of eigenzinnig. De
term wordt toegepast op karakter of gedrag; op materie en
op creativiteit. Aan tegendraads denken of doen hangt een
negatieve lading. Misschien omdat het niet past binnen de
gangbare gedragscodes? Maar dan komt gelijk de vraag: wie
bepaalt die codes eigenlijk? Is tegendraads denken niet
eerder het zoeken naar nieuwe mogelijkheden, andere
ontwikkelingen, grenzen verleggen? Ja, dan botst het
misschien wel met wat dan de algemene opvatting is. Maar
als iedereen braaf doet wat er gedaan moet worden, komt er
geen ontwikkeling en komt men tot stilstand. In mijn
optiek heeft tegendraads denken juist een positieve lading
en is het gewoon nodig. Bijzonder is dat bij het opzoeken
van de betekenis van het woord ‘tegendraads’ muziek
genoemd wordt: “Muziek die afwijkt van de traditionele
stijl of gebaande paden wordt tegendraads genoemd.”
Als muziekfilosoof vind ik dat een interessante opmerking.
Want juist tegendraadsheid heeft de muziekwereld gebracht
tot waar zij nu is. Zo is de bron van de dancemuziek van
nu afkomstig uit begin vorige eeuw. Veel mensen staan daar
niet bij stil, maar door de dwarsigheid en het tegendraads
denken van enkele visionairs is er nieuwe, andere muziek
ontstaan. Of het je smaak is, dat is weer een ander
verhaal.
Tegendraadsheid in de muziekgeschiedenis lijkt bijna
synoniem met vernieuwing of vooruitgang. Ik noem een paar
bekende gebeurtenissen . Het eerste: de Italiaan Luigi
Russolo (1885-1947) schreef in 1913 een manifest: ‘L' Arte
dei Rumori’ (The Art of Noise/De Kunst van Geluid).
Russolo was een zogenaamd ‘Futurist’. Bij de afbeelding:
Luigi Russolo, Ugo Piatti en hun ‘Intonarumori’
De ‘Futuristi’ waren helemaal weg van machines en nieuwe
technologie. In die periode speelt immers wat nu de
‘Industriële Revolutie’ heet. De Futuristen zochten naar
nieuwe en radicale muziek. Russolo was echter wat extremer
in zijn opvattingen dan vele anderen. Hij schreef: “Muziek
moet alleen gemaakt worden door gebruik te maken van
lawaai. Alleen op deze manier kan de muziek bevrijd worden
uit haar 'gevangenis'.” Die gevangenis moet je zien als de
‘gewone’ klassieke muziek, uitgevoerd door bijvoorbeeld
een strijkkwartet. Daar moest men, zo vond Russolo, maar
eens vanaf. Hij ontwikkelde daarom nieuwe
‘muziekinstrumenten': dozen met daarop een hoorn: de
‘Intonarumori’.
Het eerste concert met bevrijde muziek was in april 1914
in Rome. Russolo en medefuturist Tommaso Marinetti voerden
het met hulp van de boxen zelf uit. Het publiek was
geshockeerd en pikte het niet. Beide heren werden dan ook
beloond met een lawine aan rotte groenten en fruit. Het
publiek was er toen nog niet klaar voor, maar Russolo
bracht door zijn anders denken wel een beweging op gang.
Samen met anderen stond hij namelijk aan de wieg van de
elektronische muziek en daarmee aan de basis van alle
toekomstige elektronische muziek, van experimenteel tot de
dance van nu.
Op 17 november 1969 vond ‘Aktie Notenkraker’ plaats. Een
groep originele en tegendraadse musici verstoorde een
concert van het Concertgebouworkest onder leiding van
Bernard Haitink. De nu bekende musici Louis Andriessen,
Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg en Peter Schat
gebruikten ratels, toeters en knijpknikkers om duidelijk
te maken dat de programmering te behoudend was, er moest
meer aandacht komen voor moderne muziek. Deze tegendraadse
musici verspreidden pamfletten en wilde het publiek
uitnodigen voor een gesprek. Dat kwam er niet. De politie
verwijderde de onruststokers. Maar toch, door de actie
kwam er uiteindelijk wél ruimte voor nieuwe, moderne
klassieke muziek. Reinbert de Leeuw werd zo’n beetje de
vaandel dragende dirigent van moderne muziek. Louis
Andriessen werd wereldberoemd met zijn eigen, Hoketus- en
minimal-achtige muziek (beide: korte, herhaalde, langzaam
wisselende muziekthema’s, bij Hoketus meer schurend) en
zijn eigenzinnige opera’s. Misha Mengelberg verlegde de
grenzen binnen de jazz met kompaan, drummer Han Bennink en
hun ICP-orkest. Peter Schat ontwikkelde de ‘Toonklok’, een
nieuw compositiesysteem en was een van de oprichters van
STEIM, de studio voor elektro-instrumentale muziek.
Het moge duidelijk zijn dat eigenzinnig, dan wel
tegendraads denken, beweging en vernieuwing heeft gebracht
in de wereld van muziek. De huidige ‘vernieuwing’ komt
vooral van Artificial Intelligence. Het samenstellen van
muziek lijkt echter veel op wat er in Tin Pan Alley
(1885-1920) of The Brill Building (ca. 1950-1960)
gebeurde. Ondanks de gigantische hoeveelheid (al meer dan
50.000 nummers per dag) niets nieuws dus. Als je het mij
vraagt hebben we dringend een Russolo - of beter een
Olossur - nodig: “Stop eens met dat lawaai en ga eens
échte muziek maken!” |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
GEMEENSCHAP
Een gemeenschap is een groep mensen die met elkaar
verbonden is door gedeelde waarden, interesses, een
gezamenlijke achtergrond of dezelfde leefomgeving. Daarmee
zijn er dus talloze gemeenschappen: het gezin, de familie,
de straat, het dorp, de school, de voetbalclub, maar ook
groter: Nederland en nog groter: de hele wereld. Verborgen
in het woord gemeenschap is het feit dat die altijd een
samenstelling van verschillende personen is. Binnen één
gemeenschap kunnen diverse kleine gemeenschapjes zijn,
denk bijvoorbeeld aan een scholengemeenschap: de diverse
niveaus, maar ook de diverse interesses. Je zoekt mensen
op die dezelfde interesses of waarden hebben en die
belangrijk vinden.
Als je geïnteresseerd bent in muziek deel je je voorkeuren
met anderen en vorm je aldus een gemeenschap. Als je naar
een concert gaat vormt de groep mensen een gemeenschap
door de gedeelde interesse. Toch vind ik dat je dat niet
zomaar kan stellen. Ik zie een verschil als het gaat om
het bezoeken van een klassiek concert, of het optreden van
een band. Waar bestaat de gemeenschap uit bij een klassiek
concert? Het zijn allemaal losse individuen, stelletjes,
en groepje die komen luisteren naar wat er geboden wordt.
Je zou kunnen stellen dat alle mensen in de zaal dezelfde
interesse hebben, maar is dat zo? Ik schat door eigen
ervaring in dat er inderdaad zo’n groep is, maar ook een
groep die voor de gezelligheid meekomt, een groep die
meekomt omdat de partner anders alleen is en een groep met
bovengemiddelde kennis van muziek die echt specifiek voor
dit concert komt. Ik heb door deze diversiteit een minder
‘gemeenschappelijk’ gevoel. Datzelfde heb ik bij concerten
van bands waar de helft van de zaal met elkaar staat te
kletsen en gedurende het concert blijft kletsen. Die
mensen komen niet voor de muziek, maar om een gezellige
avond te hebben of misschien op social media te kunnen
posten dat ze bij dit concert geweest zijn? En heel andere
ervaring heb ik bij concerten van iemand als Frank Zappa.
Het gros van de bezoekers daar is echt fan en weet over
het algemeen veel van de muziek die gepresenteerd wordt.
Ook als je alleen komt voel je je opgenomen in een groep,
een gemeenschap. Wij, Zappa fans. Zo’n gevoel vind je
misschien nog meer terug bij metalconcerten. Een mooi
bewijs daarvan was onlangs te merken toen tijdens een
metalfestival een bezoeker plotseling overleed. De band
wilde niet meer verder spelen en zowel band als publiek
deelden het verdriet van de vriendengroep. Over verbinding
gesproken.
Marc Lehman is hoogleraar musicologie aan de Universiteit
van Gent: "Luisteraars verwerken muziek op een gelijke
manier en ze geven op een synchrone manier respons.” Dat
alles heeft te maken met het feit dat ons brein voorspelt
wat er komen gaat. Een Zwitsers team deed onderzoek in een
Berlijnse concertzaal. Tijdens het concert werden
hartslag, huidgeleiding en bewegingen van zo’n 120
toeschouwers gemeten. Bijzonder is dat de muziek
gelijklopende reacties bij het publiek losmaakte. Iedereen
synchroniseert dus met elkaar. Sterker nog, dat gebeurt
ook als mensen in verschillende ruimtes dezelfde muziek
horen. Er was meer synchroniteit bij populaire muziek:
"Die bevat een actie-ingrediënt dat dicht bij onze
natuurlijke bewegingsfrequentie ligt." Daarmee duidt
Lehman op de vierkwartsmaat, tevens ons wandel- of
marstempo: 1-2-3-4. Het is de maat die het meest voorkomt
in populaire muziek.
Bijzonder is dus dat je met allerlei verschillende mensen
in een concertzaal zit en toch meer gemeenschappelijks
hebt dan je denkt of weet. Ik heb misschien dan wel een
minder gemeenschappelijk gevoel, maar dat is er dus wel
degelijk, alleen op een andere manier. Misschien zou het
een idee zijn ook eens een onderzoek te doen naar de
gemeenschap waarin wij nu leven. Wij lijken steeds meer
langs elkaar te leven met alleen aandacht voor het
mobieltje in de hand en niet meer de echte persoon naast
ons. Zou een bewustzijn van synchroniteit bij elkaar daar
niet een verandering in kunnen aanbrengen? Als we meer
bewust zijn van elkaar wordt samen leven, onze
gemeenschap, wellicht ook weer wat vriendelijker. We
moeten tenslotte met z’n allen onze aarde leefbaar houden,
er is namelijk geen andere. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
ZEEËN VAN TIJD
Hoe een zee eruit ziet weet waarschijnlijk iedereen wel, maar
hoe ziet tijd eruit? En de combinatie is al helemaal lastig,
toch? Tijd is een ongrijpbaar fenomeen. Hij is er, dan is die
weer voorbij, maar er volgt ook nog weer tijd. De manier
waarop we tijd ervaren, varieert sterk afhankelijk van onze
activiteiten en aandacht, waardoor tijd soms ongrijpbaar
lijkt. Als je echt naar muziek luistert, alle aandacht erbij,
niets om je af te leiden in de buurt en de muziek je boeit, ga
je daar zo in op dat je de tijd vergeet. Bestaat tijd wel, of
is het een bedenksel om alles in het leven in het gareel te
houden? Er zijn talloze boeken over tijd geschreven. Zowel de tijd als verschijnsel, als onze beleving daarvan nemen
een loopje met ons. Tijd heeft iets ongrijpbaars. Soms lijkt
het alsof iets lang duurt of langzaam gaat, soms ‘vliegt’ de
tijd. Is het verleden of de toekomst meetbaar? Het nu? En
moeten we het meten van tijd wel willen? Hebben we het bij
tijd - en zeker bij zeeën van tijd - niet vaker over duur?
De Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) werkt dit
verschil uit in zijn in 1889 gepubliceerde proefschrift: Essai
sur les données immédiates de la conscience. Het is door
Jeanne Holierhoek vertaald als: Tijd en vrije wil (2017). In
zijn proefschrift maakt Bergson een splitsing tussen tijd
(temps) en duur (durée). De tijd is de meetbare of gemeten
tijd, zoals de klok of de – gemeten – overbrugde tijd: ik loop
5 minuten naar de winkel. De duur is het subjectieve proces,
het onzichtbare, het onbewuste. De gemeten tijd is een
concept, de duur een perceptie: “Dit concert duurt eindeloos”
of “Deze muziek was zo voorbij.” De begrippen tijd en duur
waren bij de Griekse filosofen ook al bekend, chronos (tijd)
en kairos (duur). Bergson werkt die begrippen verder uit. De
gemeten tijd (temps) is altijd precies (mits de klok goed
werkt), de duur (durée) een ervaring, een onomkeerbaar proces
dat nooit herhaald kan worden. Wij mensen beleven niets twee
keer precies hetzelfde. Daarom, zo stelt Bergson, is het
geheugen essentieel. Dan heeft Bergson het vooral over de
beleving.
In 1928 ging de ‘Boléro’ van Maurice Ravel (1875-1937) in
première. Ravel hield zelf toezicht op de uitvoering. In 1929
dirigeerde Arturo Toscanini het stuk in Amerika. Groot succes.
Toscanini deed dat nogmaals in 1930 in Parijs. Ravel was erbij
aanwezig en na afloop furieus, want volgens hem speelde
Toscanini het stuk veel te snel. Ravel weigerde daarom zelfs
het applaus in ontvangst te nemen of op het podium te komen.
Hij
beet Toscanini toe dat hij het stuk zo beter niet kon spelen.
Ravel vond namelijk dat zijn Boléro exact 17 minuten moest
duren. Ravel hield zich er zelf overigens ook niet aan, want
zijn uitvoering duurde ‘slechts’ 15½ minuten. Jammer dat Ravel
hier tijd en duur verwarde, de man maakte zich druk om niks,
want voor de subjectieve ervaring, de muziekbeleving, maakt(e)
het verschil helemaal niet uit.
Hoe lang duurt een donderdagmiddag? Er is een afspraak gemaakt
wanneer de middag begint en die eindigt: van 12-18 uur. De
middag duurt dus 6 uur. Dat is het feit, de temps. Als je
niets te doen hebt heb je dus een zee van tijd, maar duurt die
zee dan ook 6 uur? Is dat dan temps of durée? Met de opkomst
van de cd werd het plotseling mogelijk dat je naar één, lange
compositie kon luisteren. De eerste cd waar ik dat heel bewust
meemaakte was ‘Thursday Afternoon’ van Brian Eno (1948- ).
‘Thursday Afternoon' duurt 60:56 minuten. Iets meer dan een
uur. Dat is korter dan de hele donderdagmiddag, maar toch
voelt (!) het als een lange middag. De muziek op deze cd
bestaat uit korte thema’s die steeds herhaald worden, maar ook
langzaamaan veranderen. Er is geen strak ritme, de muziek
kabbelt een beetje voort. Deze muziekstijl wordt Ambient Music
genoemd. Ambient (omgeving), omdat je kan luisteren naar de
muziek, omdat ze boeiend is, maar je ze ook kan negeren, omdat ze
als een ‘behang’ op de achtergrond kan fungeren. Deze muziek
hoeft je niet af te leiden van waar je mee bezig bent.
‘Thursday Afternoon’ klinkt bijna statisch, alsof er niets
gebeurt, maar ondertussen gebeurt er echter wel van alles. Het
gevolg is dat je de grip op de tijd kwijt raakt en niet meer
weet hoe lang deze muziek nu duurt. Is het 1 uur, een half
uur, zes uur? Deze muziek brengt je in een soort trance, en
overspoelt je als een echte zee: je dobbert als het ware in
het nu, verleden en toekomst maken niet meer uit, de muziek
lijkt oneindig te duren. Maar dat dat niet zo is realiseer je
achteraf, als je na het luisteren op de klok kijkt en ziet hoe
laat het is. Dan blijkt de donderdagmiddag toch echt maar 1
uur, 56 seconden geduurd te hebben. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
HOOP
“Ik hoop je morgen weer te zien. Ik hoop dat het morgen
regent. Ik hoop dat dit goed afloopt. Ik hoop dat de nieuwe cd
een goede is. Ik hoop dat het een mooi concert wordt. Ik hoop
op een mooie toekomst.” Wij mensen hopen wat af. In hoop zit
zowel een verlangen als een onzekerheid. De intentie van hoop
is, is dat die bereikbaar lijkt. De Engelse filosoof Thomas
Hobbes (1588-1679) beschrijft hoop als “het verlangen met de
verwachting deze te bereiken.” Immanuel Kant (1724-1804) zag
hoop als een van de drie filosofische kernvragen: “Wat kan ik
weten?”, “Wat moet ik doen?”, en “Wat mag ik hopen?” De mens,
zo zegt Kant, is niet tevreden met het tijdelijke en zoekt
naar bestemming en voltooiing. daarbij kunnen we niet zonder
hoop. Hopen alleen echter, zo is de algemene kanttekening, kan
tot een passieve houding leiden: ik hoop en wacht af. Passief
of afhankelijk zijn kan mensen lui maken. Als je zegt: “Ik
hoop dat dit goed afloopt” en het daarbij laat, zet je jezelf
buiten spel. Je zou op een of andere manier er ook voor kunnen
zorgen dat het goed afloopt. Dat vindt de Duitse filosoof
Friedrich Nietzsche (1844-1900) ook. Nietzsche ziet hoop als
het “kwaadste der kwaden, omdat het de marteling verlengt.” In
plaats van hopen kunnen we beter accepteren wat het leven
biedt. Ook daarbij past dezelfde kanttekening, want ook deze
houding kan leiden tot een passieve opstelling: “we zien wel”,
waarop actie uitblijft. In die zin biedt Kant’s hoop meer
perspectief. Als ik echter naar de voorbeelden hierboven kijk
zijn er ook waar je geen invloed op hebt. Je hebt geen invloed
op het weer of op een goede cd, of geen directe invloed op een
concert. Dat je dan iets mag hopen zegt iets over je karakter,
maar ook je smaak. Een concert is – vind ik - indirect wel te
beïnvloeden. Als het publiek dolenthousiast reageert kan dat
de uitvoerenden stimuleren. De interactie kan ervoor zorgen
dat een muziekstuk met meer plezier en enthousiasme uitgevoerd
wordt waardoor er voor beide partijen een betere
muziekbelevenis plaatsvindt.
In muziek is nogal wat hoop te vinden. Een paar voorbeelden:
‘Land Of Hope And Glory’ (1901) van Arthus Benson/Edward
Elgar,’High Hopes’ (Pink Floyd, 1994); ‘Hope You’Re Feeling
Better’ (Santana, 1970); ‘Hope Of Deliverance’ (Paul
McCartney, 1993). Daarnaast zijn er lijsten met muziek die
hoop geeft, zoals ‘Bridge Over Troubled Water’ (Paul
Simon en Art Garfunkel, 1970): “When you're down and out.
When you're on the street. When evening falls so hard. I will
comfort you”. Of Lean On Me’ (Bill Whithers, 1972);
‘Fragile’ (Sting, 1987); ‘Here comes The Sun (George Harrison,
1969); ‘My Future’ (Billy Ellish, 2020); ‘Redemption Song’ en
’Get Up, Stand Up’ (Bob Marley, 1980/1973) en ‘Why Can’t We Be
Friends’ (War, 1975). Van een heel andere genre en uit een
heel andere hoek komen liederen van hoop als ‘Een toekomst vol
van hoop’ (Sela, 2019); ‘Stil Mijn Ziel Wees Stil’ (Keith
Getty, vert. Harold ten Kate, 2009) en ‘Psalm 139’ (David,
bewerking Jan Willem Schulte Nordholt, 1968). In beide genres
zijn er talloze songs te vinden die hoop bieden.
Wat mij wel opvalt is dat het hier allemaal om de tekst
gaat en niet om de muziek. Kan muziek zonder tekst ook hoop
bieden? De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860)
stelde: “Het is beter naar muziek zonder tekst te
luisteren. Teksten leiden af. Hoe minder concreet de muziek
is, hoe beter we haar begrijpen.” Eigenlijk moeten we dus
naar ‘moeilijke’ én instrumentale muziek luisteren om bij de
kern van de muziek te komen. Maar biedt die muziek hoop?
Muziek kan een mooie herinneringen oproepen die je op een of
andere manier emotioneel raken. Maar dan gaat het om de
herinnering en is muziek het voertuig. Schopenhauer:
“Muziek stelt niets anders voor dan de oerdrift zelf”. In
muziek horen we emoties als verdriet, vreugde, liefde,
enzovoorts. Maar al die emoties komen tot ons in pure vorm; ze
hebben geen betrekking op iets concreets en daarmee geen
inhoud. Ze zijn puur, op zichzelf.”
Wat mogen we dus hopen? Het blijkt dat door alle jaren heen
veel mensen iets van hoop ontlenen uit teksten. Hopelijk
volgen er dus nog vele mooie, inspirerende teksten. Muziek kan
daarbij een prachtig hulpmiddel zijn, maar niet meer dan dat. |
|
_____________________________________________________________________________________________ |
IN DE WERELD STAAN
Om in de wereld te staan moeten we eerst weten wat die wereld
is. Het woord komt van ‘were’ dat mens of man
betekent en van ‘eld’ dat tijdperk of leeftijd is. De
vertaling: ‘het tijdperk van de mens’. Het gaat dus niet over
die bol in de ruimte, maar over de menselijk beschaving.
Filosofisch gezien staan wij dus op de wereld, maar nemen we
er tegelijkertijd afstand van. De Oostenrijks-Britse filosoof
Ludwig Wittgenstein (1990-1951) maakte zich er niet heel druk
over: “De wereld is alles wat het geval is.” Daar had
de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (19788-1860) een heel
andere mening over. Hij maakte een onderscheid tussen ‘dat wat
we zien’ en ‘dat wat we willen’. De buitenkant versus de
binnenkant. Ons lichaam bestaat namelijk uit een voorstelling
(buitenkant) en een binnenkant: de wil. De buitenkant is de
materiële wereld, de binnenkant de onderliggende
werkelijkheid, die van de oerdrift van het bestaan. We kunnen
de wereld alleen kennen als we bewust zijn van onze eigen wil.
Die visie is niet helemaal nieuw, want de Griekse filosoof
Parmenides (ca. 5e eeuw voor de jaartelling) had al het
onderscheid gemaakt tussen een ‘objectieve’ werkelijkheid
buiten ons of de mens zelf die de wereld vormt. In het eerste
geval is die een ‘onveranderlijk’ geheel, in de tweede zelfs
een ‘overbodig’ begrip. De Duitse filosoof Martin Heidegger
(1889-1976) dacht veel na over de wereld. Hij schreef dat de
wereld een ‘wereldbeeld’ geworden is. Daarmee doelde
hij op de scheiding tussen de mens en de wereld. Wij mensen,
bekijken en bestuderen de wereld, maar zijn vergeten, zo zegt
hij, dat wij er zelf deel van uitmaken. Heidegger noemt dat de
‘ontleving’. Wij zijn namelijk uit het ‘directe beleven’
getreden.
Een soortgelijke scheiding gaat op voor het luisteren naar
muziek. Bij het luisteren naar muziek zit je als het ware in
de muziek, maar staat er tegelijkertijd buiten: je bent
lijfelijk aanwezig, maar je hoofd niet. Uit eigen ervaring
weet ik, dat als ik intensief naar muziek luister en nadat de
muziek afgelopen is, ik even moet ‘wennen’ of ‘landen’ in de
wereld om mij heen. Ik zat steeds op mijn stoel, maar ik was
heel ergens anders. Waar? Ik weet het niet. In mijn hoofd was
ik in een wereld vol van verbeelding. Hele fantasiewerelden
kwamen langs. Filmbeelden en muziekclips helpen ons – of
werken juist tegen – de muziek te verbeelden. In de jaren ’60
werd luisteren naar muziek zelfs als een reis, een trip,
gezien: ‘far out man” of “outta dis world”. Maar staan we dan
nog wel in de wereld? Kunnen we ‘überhaupt in de wereld staan
met muziek? Ik denk het niet.
In de wereld staan zou wellicht ook kunnen slaan op het kennis
hebben van alle muziek die in onze wereld gemaakt wordt. Eind
vorige eeuw was er plotseling een hausse aan wat toen
‘wereldmuziek’ genoemd werd. Het regende muziek uit – vooral -
Afrika, Zuid-Amerika en Azië. Platenlabels werden opgericht,
nieuwe magazines werden uitgebracht en de muziek drong door
tot in de Top 40. Yéké Yéké (1984) van de Genuise zanger Mory
Kanté hoorde je overal, net als ‘7 Seconds’ (1994) van de
Senegalese zanger Youssou N’dour en de Zweedse zangeres Neneh
Cherry. En wat te denken van de Afro Cuban All Stars en hun
Buena Vista Social Club (1996)? De Nederlandse importeur van
World Circuit Records wist niet wat hem overkwam. In plaats
van de postbode met een doosje cd’s, kwamen er nu trailers (!)
me pallets vol cd’s voor de deur rijden. Zoiets hadden ze nog
nooit meegemaakt. Tsja, wereldmuziek was hot en het
zomergevoel werd perfect vertolkt door de Cubaanse musici. Al
is die naam ‘wereldmuziek’ er ook een van ontleving. Is niet
alle muziek wereldmuziek immers? Dat vonden meer mensen en men
kwam vervolgens op de term ‘global music’. Muziek van
de globe. Er is zelfs een Global Top-40. Maar heel anders is
dat niet, toch? Nog steeds is alle muziek ‘global music’, of
die nu van Igor Stravinsky, Mory Kanté of Taylor Swift is, het
is allemaal muziek uit ‘het tijdperk van de mens’.
Staan we daarmee in de wereld, of blijven we afstand houden?
Heeft Wittgenstein hier uiteindelijk niet het laatste woord:
“De wereld is alles wat het geval is.” Is dat niet
wat maakt dat we in de wereld staan?
|
|
_____________________________________________________________________________________________ |
|