paul lemmens
lid Vereniging van Filosofen in de Praktijk

ingeschreven CKN Beroepsregister Kinderfilosofen
KvK 89658353

contact

 
gesprekken kinderen en jongeren  lezingen muziekfilosofie boeken wie ben ik

c
Op deze pagina is een drietal overpeinzingen te lezen met muziekfilosofie als terugkerend element. Er zijn meer overpeinzingen. Die zijn te lezen in een nog te verschijnen boek; 'Etudes voor twee hersenhelften'.
_____________________________________________________________________________________________
MUZIEK, WAT IS DAT EIGENLIJK?

Tsja, wat is muziek? Er zijn in woordenboeken, encyclopedieën en op internet genoeg definities te vinden van wat muziek is. Op het internet zijn talloze quotes van muziekfans én muzikanten te vinden over wat muziek is. In heel wat definities en omschrijvingen komen de woorden ‘melodie’ of ‘melodieus’ voor. Moet muziek melodieus zijn om muziek gevonden te worden? En wat is melodieus precies? Voor ons, Europeanen, klinkt de muziek van de Chinese pipa (luitachtig snaarinstrument), de Japanse shamisen (3-snarig gitaarachtig instrument) of de Nigeriaanse algaita (hobo-achtig instrument) nou niet bepaald melodieus. Sommigen noemen het zelfs ‘kattengejammer’. Daar denken de bespelers van die instrumenten natuurlijk heel anders over. Dat komt omdat wij luisteren met westerse oren en ook westers opgevoed zijn. Andere toonladders en melodielijnen klinken ons vreemd, zelfs a-melodieus in de oren. Dat geldt voor meer muziek uit andere landen.

Geluiden zijn volgens de meest definities geen muziek. Is dat wel zo? De Franse componist Olivier Messiaen (1906-1992) was gek op vogels en hun geluiden. Hij noteerde de ‘zang’ van de vogels en liet vogelgeluiden letterlijk verklanken in zijn muziek. Luister maar eens naar ‘Réveil des oiseaux’ (1953) voor piano en orkest. Het zijn ‘gewoon’ vogelgeluiden, maar nu zijn die geluiden plotseling wél muziek.

Pierre Schaeffer (1910-1995), de man die gezien wordt als de ‘bedenker’ van ‘musique concrète’, doet in feite hetzelfde. Zijn muziek bestaat, of beter nog: is samengesteld, uit allerlei geluiden die we om ons heen kunnen horen. Denk aan: autogeraas, machines in fabrieken, treingeluiden, enzovoort. Het zijn allemaal geluiden waar wij doorgaans onbewust luisteren. Een van zijn bekendste werken komt uit: ‘5 Etudes de bruits’. ‘Etude aux chemins de fer” (1948) bestaat uit geluiden van een trein die over rails rijdt, fluitjes van treinen en een conducteur en andere spoorweggeluiden. De naam verklapt het al. Er zit soms een stevige ritmiek in de klanken, maar harmonische muziek, bestaande uit mooie akkoorden of notenreeksen, is het niet. Toch heet dat wat Schaeffer componeert ‘musique’.

Tom Lawrence ( -2011) was zelf muzikant, maar werd bekend als ‘sound recordist’ of ‘akoestisch ecoloog’. Een van zijn albums bestaat uit de geluiden van waterkevers: ‘Water Beetles of Pollardstone Fen’ (2011). Lawrence nam met speciale apparatuur het geluid van de kevertjes op en versterkte dat geluid. Wat we horen krijgen is een soort ‘gezang’ met op de achtergrond iets dat klinkt als een hartslag. Soms is het melodieus én is er sprake van een ritme. Is dit ook muziek?

Met Lawrence komen we al bij nog een lastig gebied: ‘elektronische muziek’. De eerste elektronische muziek was behoorlijk experimenteel en ook daar is weinig tot niets te horen van harmonisch opvolgende klanken. Eerder hoor je piepjes, kraken, ruis en zoemen. Elektronische muziek werd en wordt overal gemaakt, van China tot Afrika en van de beide Amerika’s tot Europa tot Australië. Wat er gegeneerd wordt heet allemaal ‘muziek’. Dat impliceert ook dat het dat is.

‘Piep-piep-knor’ is geen elektronischer muziek, maar de geuzennaam van een stroming uit de Nederlandse jazz (!). De classificatie gold bijvoorbeeld het Willem Breuker Kollektief en de Instant Composers Pool (ICP). Hun vrije jazzvorm ging nog een stuk verder dan de free-jazz die we tot dan hadden kunnen horen. Ook hier was weinig melodie te horen, en als, dan was het vaak een satirische kanttekening.

Door de jaren heen is er veel te doen geweest over wat nu muziek is. De oudere generatie vond rock ’n roll helemaal niks, wat een herrie: “Dat is toch geen muziek, maar jungle geluiden….”. Eenzelfde lot was de prille popmuziek beschoren: ‘Wat een lawaai, het zijn net krijsende apen…” In elk muziekgenre en tijd is er ooit wel een vergelijkende opmerking geplaatst. Toch werd of bleek het uiteindelijk allemaal muziek.
Muziek laat haarzelf dus niet beperken door woorden, definities of smaak. Als je namelijk met een open geest én open oren gaat luisteren blijkt dat er in meer muziek zit dan je waarschijnlijk dacht. Waarschijnlijk komt je daarmee tot dezelfde conclusie van de Italiaanse componist Luciano Berio (1925-2003): “"Music is everything that one listens to with the intention of listening to music". Daarmee is alles over wat muziek is wel gezegd.
_____________________________________________________________________________________________
TEGENDRAADS

Het woord ‘tegendraads’ wordt vaak gebruikt als synoniem voor dwars, recalcitrant, opstandig of eigenzinnig. De term wordt toegepast op karakter of gedrag; op materie en op creativiteit. Aan tegendraads denken of doen hangt een negatieve lading. Misschien omdat het niet past binnen de gangbare gedragscodes? Maar dan komt gelijk de vraag: wie bepaalt die codes eigenlijk? Is tegendraads denken niet eerder het zoeken naar nieuwe mogelijkheden, andere ontwikkelingen, grenzen verleggen? Ja, dan botst het misschien wel met wat dan de algemene opvatting is. Maar als iedereen braaf doet wat er gedaan moet worden, komt er geen ontwikkeling en komt men tot stilstand. In mijn optiek heeft tegendraads denken juist een positieve lading en is het gewoon nodig. Bijzonder is dat bij het opzoeken van de betekenis van het woord ‘tegendraads’ muziek genoemd wordt: “Muziek die afwijkt van de traditionele stijl of gebaande paden wordt tegendraads genoemd.” Als muziekfilosoof vind ik dat een interessante opmerking. Want juist tegendraadsheid heeft de muziekwereld gebracht tot waar zij nu is. Zo is de bron van de dancemuziek van nu afkomstig uit begin vorige eeuw. Veel mensen staan daar niet bij stil, maar door de dwarsigheid en het tegendraads denken van enkele visionairs is er nieuwe, andere muziek ontstaan. Of het je smaak is, dat is weer een ander verhaal.

Tegendraadsheid in de muziekgeschiedenis lijkt bijna synoniem met vernieuwing of vooruitgang. Ik noem een paar bekende gebeurtenissen . Het eerste: de Italiaan Luigi Russolo (1885-1947) schreef in 1913 een manifest: ‘L' Arte dei Rumori’ (The Art of Noise/De Kunst van Geluid). Russolo was een zogenaamd ‘Futurist’. Bij de afbeelding: Luigi Russolo, Ugo Piatti en hun ‘Intonarumori’
De ‘Futuristi’ waren helemaal weg van machines en nieuwe technologie. In die periode speelt immers wat nu de ‘Industriële Revolutie’ heet. De Futuristen zochten naar nieuwe en radicale muziek. Russolo was echter wat extremer in zijn opvattingen dan vele anderen. Hij schreef: “Muziek moet alleen gemaakt worden door gebruik te maken van lawaai. Alleen op deze manier kan de muziek bevrijd worden uit haar 'gevangenis'.” Die gevangenis moet je zien als de ‘gewone’ klassieke muziek, uitgevoerd door bijvoorbeeld een strijkkwartet. Daar moest men, zo vond Russolo, maar eens vanaf. Hij ontwikkelde daarom nieuwe ‘muziekinstrumenten': dozen met daarop een hoorn: de ‘Intonarumori’.

Het eerste concert met bevrijde muziek was in april 1914 in Rome. Russolo en medefuturist Tommaso Marinetti voerden het met hulp van de boxen zelf uit. Het publiek was geshockeerd en pikte het niet. Beide heren werden dan ook beloond met een lawine aan rotte groenten en fruit. Het publiek was er toen nog niet klaar voor, maar Russolo bracht door zijn anders denken wel een beweging op gang.
Samen met anderen stond hij namelijk aan de wieg van de elektronische muziek en daarmee aan de basis van alle toekomstige elektronische muziek, van experimenteel tot de dance van nu.

Op 17 november 1969 vond ‘Aktie Notenkraker’ plaats. Een groep originele en tegendraadse musici verstoorde een concert van het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink. De nu bekende musici Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg en Peter Schat gebruikten ratels, toeters en knijpknikkers om duidelijk te maken dat de programmering te behoudend was, er moest meer aandacht komen voor moderne muziek. Deze tegendraadse musici verspreidden pamfletten en wilde het publiek uitnodigen voor een gesprek. Dat kwam er niet. De politie verwijderde de onruststokers. Maar toch, door de actie kwam er uiteindelijk wél ruimte voor nieuwe, moderne klassieke muziek. Reinbert de Leeuw werd zo’n beetje de vaandel dragende dirigent van moderne muziek. Louis Andriessen werd wereldberoemd met zijn eigen, Hoketus- en minimal-achtige muziek (beide: korte, herhaalde, langzaam wisselende muziekthema’s, bij Hoketus meer schurend) en zijn eigenzinnige opera’s. Misha Mengelberg verlegde de grenzen binnen de jazz met kompaan, drummer Han Bennink en hun ICP-orkest. Peter Schat ontwikkelde de ‘Toonklok’, een nieuw compositiesysteem en was een van de oprichters van STEIM, de studio voor elektro-instrumentale muziek.

Het moge duidelijk zijn dat eigenzinnig, dan wel tegendraads denken, beweging en vernieuwing heeft gebracht in de wereld van muziek. De huidige ‘vernieuwing’ komt vooral van Artificial Intelligence. Het samenstellen van muziek lijkt echter veel op wat er in Tin Pan Alley (1885-1920) of The Brill Building (ca. 1950-1960) gebeurde. Ondanks de gigantische hoeveelheid (al meer dan 50.000 nummers per dag) niets nieuws dus. Als je het mij vraagt hebben we dringend een Russolo - of beter een Olossur - nodig: “Stop eens met dat lawaai en ga eens échte muziek maken!”
_____________________________________________________________________________________________
IN DE WERELD STAAN

Om in de wereld te staan moeten we eerst weten wat die wereld is. Het woord komt van ‘were’ dat mens of man betekent en van ‘eld’ dat tijdperk of leeftijd is. De vertaling: ‘het tijdperk van de mens’. Het gaat dus niet over die bol in de ruimte, maar over de menselijk beschaving. Filosofisch gezien staan wij dus op de wereld, maar nemen we er tegelijkertijd afstand van. De Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein (1990-1951) maakte zich er niet heel druk over: “De wereld is alles wat het geval is.” Daar had de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (19788-1860) een heel andere mening over. Hij maakte een onderscheid tussen ‘dat wat we zien’ en ‘dat wat we willen’. De buitenkant versus de binnenkant. Ons lichaam bestaat namelijk uit een voorstelling (buitenkant) en een binnenkant: de wil. De buitenkant is de materiële wereld, de binnenkant de onderliggende werkelijkheid, die van de oerdrift van het bestaan. We kunnen de wereld alleen kennen als we bewust zijn van onze eigen wil. Die visie is niet helemaal nieuw, want de Griekse filosoof Parmenides (ca. 5e eeuw voor de jaartelling) had al het onderscheid gemaakt tussen een ‘objectieve’ werkelijkheid buiten ons of de mens zelf die de wereld vormt. In het eerste geval is die een ‘onveranderlijk’ geheel, in de tweede zelfs een ‘overbodig’ begrip. De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) dacht veel na over de wereld. Hij schreef dat de wereld een ‘wereldbeeld’ geworden is. Daarmee doelde hij op de scheiding tussen de mens en de wereld. Wij mensen, bekijken en bestuderen de wereld, maar zijn vergeten, zo zegt hij, dat wij er zelf deel van uitmaken. Heidegger noemt dat de ‘ontleving’. Wij zijn namelijk uit het ‘directe beleven’ getreden.

Een soortgelijke scheiding gaat op voor het luisteren naar muziek. Bij het luisteren naar muziek zit je als het ware in de muziek, maar staat er tegelijkertijd buiten: je bent lijfelijk aanwezig, maar je hoofd niet. Uit eigen ervaring weet ik, dat als ik intensief naar muziek luister en nadat de muziek afgelopen is, ik even moet ‘wennen’ of ‘landen’ in de wereld om mij heen. Ik zat steeds op mijn stoel, maar ik was heel ergens anders. Waar? Ik weet het niet. In mijn hoofd was ik in een wereld vol van verbeelding. Hele fantasiewerelden kwamen langs. Filmbeelden en muziekclips helpen ons – of werken juist tegen – de muziek te verbeelden. In de jaren ’60 werd luisteren naar muziek zelfs als een reis, een trip, gezien: ‘far out man” of “outta dis world”. Maar staan we dan nog wel in de wereld? Kunnen we ‘überhaupt in de wereld staan met muziek? Ik denk het niet.

In de wereld staan zou wellicht ook kunnen slaan op het kennis hebben van alle muziek die in onze wereld gemaakt wordt. Eind vorige eeuw was er plotseling een hausse aan wat toen ‘wereldmuziek’ genoemd werd. Het regende muziek uit – vooral - Afrika, Zuid-Amerika en Azië. Platenlabels werden opgericht, nieuwe magazines werden uitgebracht en de muziek drong door tot in de Top 40. Yéké Yéké (1984) van de Genuise zanger Mory Kanté hoorde je overal, net als ‘7 Seconds’ (1994) van de Senegalese zanger Youssou N’dour en de Zweedse zangeres Neneh Cherry. En wat te denken van de Afro Cuban All Stars en hun Buena Vista Social Club (1996)? De Nederlandse importeur van World Circuit Records wist niet wat hem overkwam. In plaats van de postbode met een doosje cd’s, kwamen er nu trailers (!) me pallets vol cd’s voor de deur rijden. Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Tsja, wereldmuziek was hot en het zomergevoel werd perfect vertolkt door de Cubaanse musici. Al is die naam ‘wereldmuziek’ er ook een van ontleving. Is niet alle muziek wereldmuziek immers? Dat vonden meer mensen en men kwam vervolgens op de term ‘global music’. Muziek van de globe. Er is zelfs een Global Top-40. Maar heel anders is dat niet, toch? Nog steeds is alle muziek ‘global music’, of die nu van Igor Stravinsky, Mory Kanté of Taylor Swift is, het is allemaal muziek uit ‘het tijdperk van de mens’.

Staan we daarmee in de wereld, of blijven we afstand houden? Heeft Wittgenstein hier uiteindelijk niet het laatste woord: “De wereld is alles wat het geval is.” Is dat niet wat maakt dat we in de wereld staan?
_____________________________________________________________________________________________